Blog

Hoe het een bewogen paar weken waren, maar hoe we ook vol goede en nieuwe moed eskimo Demmie terug lieten plaatsen vandaag.

Twee weken geleden was ik de moed kwijt. Letterlijk. De tranen stroomden uit mijn ogen. Hard en ontembaar.

Even voordien had een spierwitte test mij opnieuw genadeloos aangestaard. Dat stomme, witte kleur dat ik zo hartsgrondig haat intussen.

Voor de eerste keer knakte er iets. Weer was het mislukt. Weer moest ik alles opnieuw doen. Weer was ik een maand verder in dit stomme traject zonder dat zo naar verlangde baby’tje in mijn buik. Weer was het voorbij nog voor er maar iets was mogen zijn. Weer maar eens een gemiste kans. Weer een embryo dat het niet had mogen redden. Alles altijd maar weer opnieuw en opnieuw. Ik was het beu, zo enorm beu. En ik stuikte in elkaar van verdriet en wanhoop en boosheid.

En toch deed het me ook deugd. Dat de tranen eindelijk nog eens hadden kunnen komen. Dat het opgekropte verdriet een weg naar buiten had kunnen vinden. De tranen waren dus welkom op een vreemde manier.

Na de dip raapte ik me ook deze keer weer moedig samen. We moesten verder, opgeven stond niet in ons woordenboek. Er was maar één weg naar een kindje van onszelf en dat was de weg vooruit. Ook al was die weg bezaaid met doornen en stekels.

En dus namen we in stilte afscheid van eskimo Camilla en maakten we onszelf opnieuw klaar voor de komst van de nieuwe eskimo.

Tijdens deze cyclus was alles anders dan anders. Ze verliep niet zoals normaal. Er was eerst mijn gynaecologe die uitviel door ziekte tijdens de week waarin ik de echo’s kreeg om de dikte van mijn baarmoederslijmvlies te meten. Ik moest daarom naar een ander ziekenhuis bij een vervangende gynaecoloog. Een onbekende plek en een nog niet zo goed gekende arts. Het brengt altijd wat onrust, maar het verliep zoals het moest. Mijn lichaam deed evenzeer zijn best en bezorgde mij al na een grote week een heel mooi, dik slijmvlies. We konden de terugplaatsing inplannen.

Maar dan kwam het nieuws dat mijn gynaecologe een tijdje uit zou vallen in de nabije toekomst en weer stroomden de vragen en twijfels mijn hoofd binnen. Zouden we moeten veranderen? Hoe ging dat allemaal gaan? En wat als ik zwanger was, wie zou mij dan begeleiden tijdens die stresserende weken? Wie, wat, hoe, waar. Een overdaad aan vragen en een vol, moe hoofd. Gelukkig raakten de vragen snel opgelost na een wat ongerust telefoontje richting het ziekenhuis en dankzij de lieve, geruststellende woorden van de geweldige secretaresse daar. Alles zou op zijn plooi vallen, gelukkig.

En toen had ik plots een bloeding. Vanuit het niets. Een dag voor onze lieve mini ontdooid zou worden. Instant paniek. Een nerveuze telefoon naar het ziekenhuis. Wat was ik bang dat de cyclus geannuleerd zou worden. Wat was ik bang dat ik onze mini misschien niet terug zou mogen krijgen door zo’n stommiteit van mijn lichaam. Maar ook toen werd ik gerustgesteld. Het was vast van de utrogestan op te steken, zeiden ze. Waarschijnlijk had ik een adertje geraakt, want het bloedverlies was heel beperkt geweest. Maar ik moest het zeker in de gaten houden en terug opbellen als het opnieuw begon. De rest van de avond, nacht en de dag erna bracht ik door met het in fertiliteitsmiddens welbekende fenomeen “broekloeren” of “sliploeren”. Lees: elke vijf tot tien minuten een retourtje naar het toilet om even te spieken of er nog een roze of rode waas te bespeuren viel. Maar het bleef helder en langzaam kreeg ik er weer vertrouwen in dat de terugplaatsing niet in het gedrang zou komen, oef.

En toen was het zo ver. Vandaag kon onze lieve eskimo eindelijk teruggeplaatst worden in mijn veilige buikje. Na een woelige periode een welkome verademing. En toch was er ook de nodige stress. De terugplaatsing zou heel vroeg in de ochtend plaats vinden, wat betekende dat ik al doorheen het drukke ochtendverkeer naar Gent moest vertrekken om zeker op tijd te zijn en nog voor ik het verlossende telefoontje over de ontdooiing had ontvangen. De telefoon rinkelde en gelukkig was mijn schoonmama mee om de telefoon op te nemen of ik was waarschijnlijk van de nooit wennende zenuwen ergens tegen gereden. Maar het was goed nieuws, de embryo was goed ontdooid.

Mini 4 kwam even later veilig mijn buikje binnen. Het was een echte, kleine vechter. De arts vertelde me hoe het een embryo van excellente kwaliteit was en hoe we een hele goede kans op zwangerschap hadden. Dat het al een heel klein beetje uit zijn schilletje kroop. En terwijl ze dit vertelde, belde de embryoloog. In een uurtje tijd was onze sterke mini al bijna helemaal uit zijn schil gekropen. Ik was fier, zo fier. En zo blij. Eindelijk hadden we nog eens een eerlijke, goede kans. En op slag vond ik mijn moed en mijn geloof terug. Voorzichtige hoop dat het allemaal misschien toch nog goed zou komen.

De naam was lang een twijfelpunt in mijn hoofd. Ik wist het deze keer niet. Ik wou een jongensnaam met een D. Maar geen enkele naam sprak me aan. Ook al kreeg ik langs alle kanten leuke namen aangebracht, ik raakte niet overtuigd. Terwijl ik daar stond, besliste ik. Het zou Demmie worden. De afkorting van mijn eigen held zijn naam. De papa van onze eskimo. Dit moest de naam worden, want mijn eigen held vecht even hard voor ons en onze droom als deze mini al heeft gevochten om bij ons te kunnen zijn en blijven.

Dus enkel deze naam was de juiste. Binnen twee weken het verdict of kleine Demmie het ook heeft mogen redden, maar laat ons vurig hopen van wel!

 

 

Advertenties

Over hoe we steeds meer nadenken over hoe we ons leven in zullen moeten vullen als dat kindje ons niet gegund zou worden.

“Als er nooit geen kindje komt, dan maak ik een hobbyruimte van dat kamertje.”

Hij keek me aan en zei dat hij er liever een game room met cinemazaal van zou maken in dat geval.

We glimlachten even naar elkaar en herpakten ons toen.

“Eerst afwachten hoe het verder gaat, want misschien mogen we er toch ooit een mooie kinderkamer van maken.”

Terwijl we dit tegen elkaar vertelden, stonden we in diezelfde kamer. De “kinderkamer”. De kamer in ons huis dat nu een rommelkot is. Met spullen waar we geen blijf mee weten en dan maar daar stockeren. Met mijn wasrekken. Met ons kerstgerief. En met een dubbele luchtmatras. Voor als zijn petekindje en haar broer komen slapen.

De kamer ziet er dus heel erg troosteloos uit. Ondanks dat hij vol ligt met zoveel spullen, voelt hij ook leeg aan. Want hoe vaak sta ik er niet gewoon te kijken. Naar de muren, naar het tapijt op de vloer, naar het houten plafond. Stel ik me voor hoe mooi dat kleine kamertje zou kunnen worden. Met een fris kleurtje aan de muren. Muntgroen of lichtroze of lichtblauw of grijs. Zoveel mooie kleuren in deze wereld. Hoe er een zacht en lieflijk kamertje in staat. Met een klein bedje en een klein kastje en een verzorgingstafel. Met een mooie tekening of leuke sticker aan de muur boven het bedje. Met grote, zachte knuffelberen of een leuk schommelpaardje. Met een nieuwe vensterbank om de oude, lelijke te kunnen vervangen en mooie, zachte gordijntjes in speelse kleuren. Met een leuke dierenlamp tegen het plafond. Ik stel me voor hoe er een schommelstoel zal staan en hoe ik er dan in zit. Wiegend met mijn kleine baby in mijn armen.

Heel even voel ik het dan. Hoe het zou zijn als dat mooie, kleine kamertje gevuld zou zijn met een blozende en slapende baby.

Tot ik terug in de realiteit kom en in de plaats dat doffe, troosteloze kamertje zie dat gevuld is met spullen die er eigenlijk niet thuishoren.

Steeds meer denken hij en ik na over hoe we ons leven in zullen moeten vullen als dat langverwachte kindje er niet zal komen. Wat we met dat kamertje en ons leven gaan doen dan. Dat kamertje dat ons nu elke dag herinnert aan wat we nog steeds niet hebben.

Het kan voor de buitenwereld vreemd lijken ons zo’n gesprekken te horen voeren terwijl we nog te midden van ons gevecht naar een kindje zitten. Alsof we diezelfde strijd al opgeven. Maar dat is het niet. We geven niet op. We denken alleen maar na over hoe we ons leven ingevuld kunnen krijgen als een kindje van ons samen ons niet gegund zal zijn. Daar is niks verkeerd mee. Want hoe erg het ook klinkt, het kan onze realiteit worden. Een hele bittere realiteit, dat wel.

Maar voor nu proberen we nog te hopen dat een kindje van onszelf ons wel gegund gaat zijn en dat het kleine kamertje uiteindelijk wel gevuld gaat raken.

Intussen werd enkele dagen geleden ook onze derde eskimo teruggeplaatst. Ik gaf de kleine mini de naam “Camilla”. Want zo probeer ik ook voor mezelf een klein beetje hoop toe te laten. Door hen een naam te geven, voelt het echter en hoopvoller. Elke terugplaatsing geeft ons een nieuwe kans op een wonder dat negen maandjes lang in mijn buik zal kamperen. En dat kleine, nu nog troosteloze kamertje zal vullen.

Dus op dit moment stuur ik al onze krachten richting mijn buik. Zodat Camilla hopelijk haar weg kan vinden in mijn warme nestje en daar hopelijk heel lang zal blijven.

Binnen een tweetal weekjes weten we of dat gelukt is. Dus voor nu, opnieuw heel spannend afwachten…

 

Dat de tweede terugplaatsing mislukte en dat dat besef een beetje harder binnen kwam dan ik zelf had verwacht.

Ik staarde naar de witte test.

Met een zucht legde ik hem opnieuw opzij. Ik wist diep van binnen al hoe laat het was, ook al was het toen nog een paar dagen tot aan de bloedafname. Maar ik wist dat het geen goed teken was en dat onze moedige eskimo de strijd had opgegeven in mijn buik.

Het besef kwam harder binnen dan ik zelf had verwacht. Ik had in mijn hoofd het idee gepompt dat ik liever een negatieve test had dan weer een miskraam. Dat is nog steeds ergens zo. Maar ook een negatieve test is niet leuk. Helemaal niet leuk zelfs.

Het was weer een kans minder op een kindje van onszelf. Weer een stap dichter naar een eventuele nieuwe pick – up en dus ook weer een stap dichter naar een periode waarin ik opnieuw serieus zou afzien van de pijn en hormonen. Dat vooruitzicht stemde me somber. Dat zou ik echt liever niet meer opnieuw door willen maken, maar wat moet zal moeten. Ik hoop alleen zo hard dat een tweede IVF – poging niet meer nodig zal zijn. Dat ééntje van onze resterende drie eskimo’s het wel zal redden in mijn buik.

We hebben nog drie hele mooie kansen, zegt iedereen ons. Mijn hoofd weet dat natuurlijk ergens ook wel. Maar toch. Wat als het wel lukt om zwanger te worden van één van deze drie, maar ik het dan weer verlies na enkele weken zwangerschap. Of wat als ze niet ontdooien. Of wat als ik gewoon helemaal niet meer zwanger zal raken van één van deze drie. De kansen kunnen ook allemaal zo snel weer voorbij zijn en dat maakt me bang en onzeker voor de toekomst.

Maar we bijten door. Er is geen andere optie.

De laborante sprak me die week opnieuw moed in. Ze zei dat uiteindelijk bijna iedereen wel eindigde met een kindje in de armen. Dat had ze al heel vaak gezien in het labo. Dus aan die gedachte probeer ik me nu op te trekken en doe ik mijn best om positief te denken. Hoe moeilijk het soms ook is.

Ik voel me heel wat rustiger nu dan in de periode voor mijn derde miskraam. Gewoon weten dat er eigenlijk niet direct een probleem te vinden is, brengt al een klein beetje meer vertrouwen en rust in mijn leven en hoofd. Maar zonder zorgen kan ik nooit meer zijn. Dus we houden vol met elke vezel van ons lijf, ook al is het allesbehalve gemakkelijk.

Van kleine eskimo “Bernard” nemen we nu weer afscheid. Hij of zij heeft moedig zijn best gedaan, maar het mocht niet zijn. En dat is ook oké, we kunnen dat alleen maar aanvaarden.

Voorzichtig denken we weer vooruit en sturen we al onze kracht uit naar de drie mooie eskimo’s die nog in die koude vriezer zitten te wachten om in mijn buikje geplaatst te mogen worden. Laat ons hopen dat eentje van hen ons kleine regenboogje mag worden. We kunnen er maar op hopen en stilletjes van dromen.

 

 

 

Dat ik een hartvormige baarmoeder heb, maar verder alles in orde is. En dus zit eskimo “Bernard” intussen veilig aan boord.

“Je baarmoeder is hartvormig, maar niet op een uitgesproken manier. Het kan dus geen oorzaak zijn voor de vroege miskramen nu. Je hoeft je hier niet direct zorgen over te maken, binnenin de baarmoeder zelf ziet alles er goed uit. Dat is belangrijker.”

Ik staarde haar aan. Ook al was het dan geen reden voor de drie miskramen, het was toch ook tegelijk weer iets bij op het al lange lijstje van hindernissen. Ik had het dus liever gewoon niet gehad. Ik wilde een normale baarmoeder met een normale vorm waarin onze kleine, lieve wondertje zich op een normale manier in kon nestelen.

Tegelijk bedacht ik me ook hoe mooi het net zou zijn als er ooit een kindje geboren zou mogen worden uit die hartvormige baarmoeder. Want ons kleine, lieve wonder zou zijn start en eerste groeifase door mogen maken in een hartje. Die gedachte troostte me wat. Ook al was het een schrale troost.

De diagnose had ze al gesteld tijdens een hysteroscopie in augustus. Daarbij had ze met een klein cameraatje in mijn baarmoeder gekeken. Ik was tijdens het onderzoek helemaal verdoofd geweest en had er eigenlijk niets van gemerkt of gezien.

Ze praatte verder.

“Alles is verder perfect normaal. Er is een licht afwijkende stollingswaarde, maar na overleg met de hematoloog is het niet nodig om dat verder te behandelen. Dit is dus ook geen oorzaak voor de miskramen. Jullie kunnen dus gewoon opnieuw herstarten.”

Alles was normaal. Niets alarmerend was er gevonden. Ik was ergens wel blij hierom, maar tegelijk frustreerde het me ook wat. Je zoekt altijd naar een reden, een oorzaak, een waarom. En dat antwoord kreeg ik niet. Er was gewoon niets of toch niks dat alle alarmbellen aan deed slaan. En dus was er ook geen plan, geen nieuwe aanpak, geen oplossing.

Tijdens de voorbije weken vertelden drie verschillende artsen ons dat ze het vermoeden hadden dat de embryo’s zich wat te snel innestelen in mijn buik. Dat ook de embryo’s waar iets mis mee was en dat de natuur normaal vanzelf afstoot, zich bij mij innestelen. Dat je dan dit soort miskramen kan krijgen. Dat ze er zeker van waren dat het ons uiteindelijk zou lukken om een gezond en levend kindje op de wereld te zetten als we maar bleven volharden. Dat we moesten blijven geloven in een goede afloop.

Hoe hoopgevend hun woorden ook waren, ik kon enkel maar denken dat we dus nog miskramen mee kunnen maken. Dat we misschien eerst nog meerdere kindjes zullen moeten afgeven voor het dan eindelijk goed zal mogen gaan. Ik stelde me al dat verdriet voor. Iets wat niet moeilijk was, want het zat allemaal nog zo vers in mijn geheugen.

We keken naar elkaar toen al die woorden vielen en dachten net hetzelfde. Hoe hoopgevend het ook allemaal was, er zou misschien eerst nog heel veel verdriet kunnen zijn voor het echte geluk ons leven zou binnen waaien.

Met het lood in de schoenen zijn we dus opnieuw gestart. De medicatie deed opnieuw heel snel zijn werk en wonder boven wonder had ik op reis ook plots mijn maandstonden. Voor de eerste keer in bijna drie jaar had ik mijn maandstonden opnieuw natuurlijk gehad.  Een verrassing van formaat was dat toch wel. Ook al was het waarschijnlijk gewoon een toevalstreffer. Daardoor hadden we dus ook veel sneller dan verwacht de tweede terugplaatsing. De ontdooiing verliep goed en ik kreeg een positief telefoontje dat onze tweede eskimo “Bernard” het gered had. De terugplaatsing verliep heel erg vlot en alles leek weer heel erg veelbelovend. De arts vertelde me wel dat dit eskimootje de minst goede kwaliteit van de vijf had. Maar dat het nog steeds van goede kwaliteit was en we dus nog zeker een goede kans maakten.

Ik luisterde, ik antwoordde op haar lieve vragen over de vorige en misgelopen terugplaatsing. Ik was blij dat ik een nieuwe kans kreeg en toch voelde het voor mij allemaal doffer aan. Emotielozer. De foto van onze kleine eskimo raakte me opnieuw tot in het diepste van mijn hart, dat wel. Want het was en blijft één van onze kleine wondertjes in wording.

Ik vertelde de arts dat ik deze keer geen verwachtingen meer had. Ze zei dat ik hoop moest blijven hebben.

En dat is er gelukkig wel nog. Dat is het belangrijkste. Dat er hoop is en hoop blijft bestaan. Maar ik verwacht niet meer dat het zomaar zal gebeuren of zomaar wel eens zal blijven duren negen maanden lang.

En misschien is dat wel niet slecht. Ik ben tijdens deze wachtweken rustiger dan ooit. Ik weet dat er een grotere kans is dat dit eskimootje het niet zal redden tot aan de bloedname, omdat het al zoveel harder heeft moet vechten dan zijn brusjes in de vriezer. Maar dat is oké. Ik ben in een stadium gekomen dat ik liever een negatieve test heb dan opnieuw een biochemische zwangerschap. Vanaf nu wil ik enkel nog een positieve test als het van het kindje komt dat ook daadwerkelijk geboren zal mogen worden negen maanden later.

Maar misschien, heel misschien zal eskimo “Bernard” ons nog verrassen in de komende weken.

Tot we dat weten, wachten en hopen we stilletjes verder.

 

Dat deze reis alles had wat we nodig hadden om onze moed terug te vinden.

Voorzichtig stapte ik uit het karretje van de kabelbaan. Ik hoorde het zachte knarsen van de sneeuw onder onze voeten terwijl we verder stapten. De koude wind die zachtjes langs mijn kaken heen waaide. Het zachte geroezemoes van de andere mensen die rond ons stonden en net als wij verwonderd om zich heen keken. Ik voelde hoe het zonnetje opnieuw op mijn gezicht scheen en langzaam mijn hart en lijf weer verwarmde. Vol verwondering keken we voor ons.

We zagen een prachtige, besneeuwde bergtop. Ingepakt in een dikke pak wolken. Ik haalde snel mijn camera boven en legde het beeld voor eeuwig vast. Het was wonderlijk mooi. Die ene bergtop tussen de wolken. En ik voelde me op een gekke manier verbonden met onze drie sterretjes. Ik zat op 3000 meter hoogte en het voelde alsof ik bijna de hemel aan kon raken. Dat ik niet dichter dan dat bij hen kon komen.

We grepen elkaars hand vast, we voelden allebei hetzelfde. We waren voor heel even met elkaar verbonden op een manier waarop we dat in ons eigen land niet altijd konden. Er was alleen hij en ik en onze drie sterretjes bovenaan die top en in onze gedachten. Of zo voelde het toch voor ons. Bij die eenzame berg die nog net van tussen de wolken kwam piepen.

We keerden te voet terug naar beneden. Ik merkte op hoe rustig het was op het wandelpad. Het voelde alsof we helemaal alleen op deze prachtige plaats waren. Wij en de kleine keitjes die van onder onze voeten weggeschopt raakten bij elke stap. We weken af van het pad en klommen op een rots. We zagen de prachtige natuur. Een bergmeer met een prachtige, blauwe kleur zoals je dat enkel in de bergen kon zien. We zagen de mooie rotsen die tussen het groen door piepten. We zagen de prachtige, hoge bergen om ons heen. Samen staarden we de verte in. Hand in hand. Het moment voor altijd in onze herinneringen op aan het nemen.

Je hoorde er niks. Het was er stil op een manier dat ik dat niet gewoon ben. Er waren geen stemmen van andere mensen, geen auto’s, geen treinen, geen spelende kinderen, geen machinale geluiden, geen geroep, geen geruzie. Je hoorde er geen vogels, geen ruisende bladeren van de bomen, geen andere dieren. Je hoorde er niks. Letterlijk niks.

Enkel de stilte was te horen. Een oorverdovende stilte. Een stilte die op zijn manier ook geluid voortbracht.

Ik sloot mijn ogen en genoot van het moment. Hij deed dat ook. We stonden daar een tijdlang zo.

“Het is hier zo stil.”

Ik hoorde mijn eigen stem zachtjes de woorden zeggen. Ik was bang om de stille natuur te bruut terug wakker te maken.

Hij keek me aan en knikte.

“Zalig is dit, hé.” Hij zei het ook zachtjes.

We keken elkaar aan en verstonden elkaar. We hadden dit moment nodig. Dit stille moment zonder vragen of goedbedoelde opmerkingen. Zonder woorden te horen met weer verdrietig nieuws. Zonder angsten. Zonder pijn. Zonder verdriet.

Gewoon hij en ik. En de stilte. Dicht bij elkaar en dicht met elkaar. Verbonden op een manier dat we dat in België niet altijd konden.

“Als het ons nooit mag lukken, dan gaan we gewoon samen verder deze prachtige wereld ontdekken, hé.”

Hij knikte en terwijl we te voet verder stapten, maakten we reisplannen. Alle landen, alle plekjes die we nog wilden zien. Het liefst met kind, maar als dat niet lukte, dan gewoon samen.

Tijdens die mooie week in Italië zag ik meerdere regenbogen. Ik legde ze elke keer vast, als een houvast. Als een bewijs dat ook onze drie sterretjes mee op reis waren geweest en ons zo vertelden dat alles wel goed zou komen als we maar bleven geloven.

Deze reis had alles wat we nodig hadden om met nieuwe moed opnieuw op te starten. Voorzichtig en met nog steeds heel veel angsten. Maar met voorzichtig opnieuw geloof en hoop voor de toekomst.

Maar vooral met elkaar als houvast en steun. Beseffend dat als het ons nooit gegund zou zijn, we nog steeds en bovenal elkaar zullen hebben.

En dat is ook al iets heel erg kostbaar en mooi.

 

Gisteren was ik jarig, maar het voelde allemaal niet zoals het anders voelde. Maar het is tijd om in mijn nieuwe levensjaar langzaam terug vooruit te kijken. Stap voor stap.

Gisteren was ik jarig.

Er stonden 34 kaarsjes op mijn figuurlijke verjaardagstaart. Ik blies ze in gedachten één voor één langzaam uit. Zodat ik in gedachten nog heel even wat jonger kon zijn. Heel even maar.

Weer een jaar bij, weer een jaar waarin ik mijn verjaardag afsluit met lege armen en een lege buik. De tijd loopt alsmaar verder, maar in mijn hoofd voelt het alsof de tijd meer stil staat dan dat ze verder loopt.

Het voelde niet als altijd. De vele geschenken van de allerliefsten naast me maakten me wel blij. De vele gelukswensen met hier en daar een steunend woordje verwarmden mijn hart. De jaarlijkse telefoontjes waarin mijn papa en mama mij luid toe zingen deden me lachen. De grappige foto’s van alpaca’s en katten ook. Er was dus blijdschap en liefde gisteren. Veel liefde zelfs.

Maar het voelde niet als hetzelfde soort blij als ik voorheen altijd had gevoeld met mijn verjaardag. Het voelde alsof er over de blijdschap heen ook nog een fijn laagje verdriet lag. Ik voelde het bij hem ook. De geschenkjes voor mij die hij normaal altijd zorgvuldig verpakt, werden nu de avond ervoor wat nonchalant gegeven. Zijn hoofd stond evenmin naar jarig zijn, naar blij zijn. Hij probeerde er wel een leuke dag te maken voor mij, maar je voelde het.

Er was gewoonweg niets om te vieren. Of zo voelde het voor mij toch. Het jaar waarin ik 33 was, was dan ook niet het jaar dat ik voor altijd wil herinneren. Toch niet in de goede zin. Het is een jaar geweest waarin we harde klappen kregen en veel verdriet een plekje moesten geven. Keer op keer opnieuw. Telkens wat verdriet bij op die al hoge hoop verdriet.

Vorig jaar was ik zwanger met mijn verjaardag. Ik dacht toen nog dat ik goed zwanger was, dat die baby er uiteindelijk wel zou komen. Ik was angstig die dag, maar genoot wel van het feit zwanger te mogen zijn met mijn verjaardag. Het voelde als het beste cadeau ooit. Maar toen verloor ik het. En daarna nog eens. En dan nog eens.

Een jaar geleden had ik nooit durven denken dat ik mijn verjaardag dit jaar nog steeds met lege armen en een lege buik zou moeten vieren. De realiteit was harder dan ik had verwacht. Ergens was ik dus blij gisteren toen de dag om was. Dat dit moeilijke stuk ook achter de rug was en we dit levensjaar af konden sluiten. Dat we dit nieuwe levensjaar met een verse lei konden starten.

Vandaag verzamelde ik daarom de positieve testen die nog in mijn kast lagen van de laatste zwangerschap. Ik gooide deze weg waarop het streepje nog amper te zien was. En verzamelde deze waar je het nog goed zag. Zoals altijd deed ik er een mooi strikje rond. Ik nam de foto van onze kleine mini. Schreef er nog een tekstje bij. En toen nam ik alles mee naar boven naar het doosje waarin ik de testen bewaar. Ik legde de laatste testen erbij en de foto. Ik slikte mijn tranen weg en sloot toen het doosje. Hopend dat het de allerlaatste keer was dat ik er testen met een strikje om of foto in moest leggen.

Vandaag is de start van een nieuw levensjaar met nieuwe kansen en nieuwe mogelijkheden. Tijd om langzaam terug vooruit te kijken, tijd om terug te dromen dat mijn armen de volgende keer dat ik jarig ben wel vol gaan mogen zijn of de buik vol met nieuw leven.

Een jaar met een keer. Stap voor stap raken ook wij er.

 

Een jaar geleden was alles anders.

Een jaar geleden hield ik voor de allereerste keer in mijn leven een positieve test vast. Twee mooie, roze streepjes waren tot mijn grote ongeloof verschenen.

Ik herinner me nog zo goed hoe onwerkelijk ik dat toen vond. Hoeveel spanning en blijdschap ik dat eerste moment voelde. Zorgeloosheid met een tikkeltje angst voor het onbekende. Het was een gevoel van puur geluk dat me toen had overspoeld. In ons enthousiasme vertelden we het al snel aan de dichtste familieleden, zodat ze het zeker van ons zouden vernemen en niet van gelijk wie. We waren blij dat ons langverwachte wondertje eindelijk op weg leek te zijn en blij dat we ook gewoon zwanger konden raken. Ik maakte nog snel een foto van onze poes met in zijn pootjes de positieve test van Clearblue voor de digitale cijfertjes weer zouden verdwijnen. Zodat we een al een eventuele foto hadden waarmee we de zwangerschap zouden kunnen aankondigen

Had ik toen geweten wat me nog te wachten zou staan in het jaar dat volgde, ik had er toen extra hard van genoten. Want wat ik toen heb mogen voelen, dat zal nooit meer terug kunnen keren.

Een jaar later zijn mijn armen nog steeds leeg. Mijn buik is voor de derde keer op rij opnieuw leeg. Mijn hart is leeg. Mijn hoofd is leeg. Alles in ons binnenste voelt als leeg aan. Dof. We voelen ons niet meer zoals we ons toen voelden. We denken niet meer op dezelfde manier zoals we toen dachten.

Een zwangerschap brengt nu geen blijdschap meer met zich mee, maar pure angst. Dat zorgeloze, gelukzalige gevoel na het zien van een positieve test is nu volledig weg. Dat kan ook nooit meer op een normale manier terugkeren.

Als mensen zeggen dat we hoop moeten houden, zeggen we dat we niet zomaar meer durven hopen of durven geloven dat het ook echt goed zal komen. Dat als we dat doen we te bang zijn geworden voor de weerbots erna als het dan effectief opnieuw niet goed komt. Dat we bang zijn om überhaupt nog iets te voelen na het zien van een positieve test. Een positieve test is voor ons niets meer dan twee roze streepjes naast elkaar en allesbehalve de garantie op een gezonde baby negen maanden later.

We hadden nu een vrolijke baby van bijna vier maanden moeten hebben. Steeds meer de wereld ontdekkend. We hadden een mooie zomer moeten hebben met diezelfde baby. Leuke uitstapjes doen met ons drietjes. Ik had mijn verjaardag met ons kindje in de armen moeten vieren. We hadden misschien zelfs een allereerste reisje dichtbij kunnen doen met onze baby.

Maar in de plaats daarvan is het een zomer met veel verdriet en leegte geworden. De wetenschap dat we dat allemaal niet mee mogen maken en moeten missen nu is loeihard. Drie sterretjes rijker dat we enkel nog in ons hoofd en hart kunnen koesteren. Maar nooit lijfelijk zullen ontmoeten. Op amper twaalf maanden tijd al dat rauwe verdriet moeten voelen, het hakt er zwaar in.

Zomaar opgeven zullen we nooit doen, blijven vechten tot de laatste snik zullen we daarentegen altijd blijven doen.

Maar vraag ons niet meer gewoon positief te zijn als het ons nog eens mag lukken zwanger te raken. Vraag ons niet geen stress te hebben, want op dit moment kan een positieve test enkel en alleen nog maar tonnen stress en angst met zich mee brengen. De andere richting is gewoon onmogelijk voor ons geworden. Wij voelen geen geluk of blijdschap of spanning meer als we positief testen. Die zorgeloosheid is voorgoed weg.

Onlangs las ik deze quote op de instagrampagina van een andere wensmama:

“You just keep living until you are alive again”.

Zo voelt het voor ons ook. We leven, we overleven, we houden vol, we geven niet op. We balanceren op een slappe koord tussen hoop houden en diezelfde hoop proberen niet kwijt te raken. We voelen ons niet meer zoals we ons vroeger voelden. En dat zal pas langzaam terug kunnen keren als dit verhaal zijn einde kent. In positieve of negatieve zin.

En tot dan leven we gewoon verder. Van dag tot dag. Tot we terug echt zullen kunnen leven.

 

 

Dat ik afscheid van je moet nemen, maar dat eigenlijk niet wil. Maar dat het gewoon moet.

Ik moet afscheid van je nemen. Of ik dat nu wil of niet. Terwijl het bloed langzaam uit me stroomt, weet ik dat ook jij langzaam mijn lichaam opnieuw verlaat. Het is het meest gruwelijke aspect van een miskraam.

Je wil schreeuwen, kwaad zijn, alles tegen de muur gooien en huilen. Je weet dat dit geen gewoon bloed is. Dat dit bloed je zo ontzettend hard gewenste kindje is dat weer maar eens uit je lichaam wordt verstoten. Zomaar. Zonder duidelijke reden waarom opnieuw.

Een miskraam geeft je zoveel mentale en fysieke pijn. Het heviger bloeden, de felle krampen die lijken op kleine weeën. Elke keer een pijnscheut door je buik en tegelijk door je hart. Elke keer opnieuw. Tot het stopt. Tot de pijn stopt. Tot het bloedverlies stopt. Dan zindert de mentale pijn nog maandenlang na. Tot je opnieuw zwanger raakt en alle stress weer van voor af aan begint.

En je moet door bijten, want je kan niet anders. Een dood vruchtje kan je niet blijven dragen in je buik, dat is niet gezond. Het moet er dus uit. Tegen je zin, maar het moet. Een extra kwelling in een al kwellend genoeg verhaal.

Afscheid van je nemen wil ik niet. In mijn hoofd had ik al een ganse toekomst voor je uitgestippeld. Ik had al nagedacht over namen, over je kamertje, over je doopsuikers. Alles zit al jaren klaar in mijn hoofd en ik dacht en hoopte dat het deze keer misschien wel eens gewoon goed zou gaan. Dat jij wel in mijn armen zou mogen liggen negen maanden later. In maart zou je worden geboren, wat vond ik dat een fantastische maand. Met de ontluikende lente in het verschiet. Zoveel leuke dingen zouden we hebben kunnen doen met je tijdens die lente en de zomer die er op zou volgen. Maar alle mooie dromen zijn weer maar eens kapotgeslagen.

Ik ben verdrietig dat mijn lichaam je al die mooie dingen heeft ontzegd. Boos dat mijn lichaam weer niet wist wat het moest doen om jou in mijn warme buik te houden. Om jou te laten groeien. Nog steeds is het niet duidelijk waar je nu juist zat. Toch in mijn baarmoeder of alsnog in die verdomde eileider. De arts zal het nooit meer met zekerheid kunnen zeggen, want ze heeft je noch in mijn baarmoeder noch er buiten kunnen spotten. Je had zelf al stilletjes de strijd opgegeven. En mijn lichaam had gevoeld dat het deze ellende zelf moest proberen op te lossen. Wat het best mogelijke nieuws was in de slechtst mogelijke tijden.

Maar dat verzacht mijn verdriet niet. Want de realiteit blijft. Dat ik jou ook ben moeten verliezen. Dat mijn hart opnieuw moest breken in duizend stukjes. Al de ellende allemaal gewoon zomaar en voor niets opnieuw.

In mijn hoofd had ik je een naam gegeven, lieve eskimo. Ik kon je moeilijk eskimo blijven noemen. En dus besloot ik om elk embryo een naampje te geven. Gewoon, omdat ik redeneerde dat elk van onze minimensjes zijn eigen, tijdelijke identiteit verdiende. Want voor ons was jij geen hoopje cellen, maar zoveel meer dan dat.

Ik besloot gewoon bij de A te beginnen en zo verder te gaan, hoewel ik stiekem hoopte dat het bij de A al zou stoppen. In stilte gaf ik je de naam Alida. Het was de eerste naam die in me opgekomen was. Als je was blijven zitten, was het ons koosnaampje voor jou geworden tijdens de zwangerschap. In de hoop dat ik je echte naam zo verborgen ging kunnen houden. Ik heb namelijk een probleem met zwijgen, dat gaat me niet zo goed af.

Lieve Alida, in stilte neem ik nu afscheid van jou. Je hebt gevochten, zo hard je best gedaan om bij mij te blijven. Maar het is goed nu, nu is het tijd om naar je regenboogje te gaan dicht bij onze twee andere sterretjes. Ik hoop dat jullie van daarboven heel veel regenboogjes mijn richting uit kunnen sturen. En vooral dan dat zo hard naar verlangde zusje of broertje bij ons kunnen brengen. Vergeten doe ik je niet, mijn kleine ster.

Voor altijd in mijn hart.

 

Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Voor de derde keer stort onze wereld in. Hoeveel keer nog voor de natuur ons goedgezind zal zijn?

Hier zitten we dan. Verslagen. Kapot. Zonder woorden. Opnieuw. Voor de derde keer.

Ik wist al langer dat het niet goed zou zijn. Na een tijdje ontwikkel je er een speciaal instinct voor. Je voelt je lichaam. Je weet dat het niet goed zit. Dat er iets niet klopt. Dat het kind in je buik niet groeit zoals het moet. Dat het HCG niet stijgt zoals het moet. Dat het gewoon niet klopt. En iedereen verklaart je voor gek. Zegt je dat je positief moet blijven. Dat je geen stress mag hebben. Dat alles nu zeker en vast goed komt.

Maar je zwijgt.

Want na een tijdje ben je moe om telkens hetzelfde te zeggen. Dat het niet goed voelt. Dat het niet zo oké is als zij denken. Dat je lichaam schreeuwt dat er iets niet klopt. Dat geen stress hebben onmogelijk is. Dat positief blijven na twee vroege miskramen ook onmogelijk is. Dat je dat allemaal niet meer zomaar kan. Dat een positieve test je geen geluk meer brengt, maar pure paniek en angst in je hoofd. Dat je je niet meer durft hechten, want dat je weet dat de kans groot is dat je een week later niet meer zwanger zal zijn. Dat je weer afscheid zal moeten nemen van je kindje nog voor het de kans kreeg echt te leven.

En nu zitten we hier. Met de bevestiging. Opnieuw een dood kind in mijn buik. Opnieuw een kind dat zo hard heeft gevochten om bij me te blijven, maar de pech had om zich op de verkeerde plek in te nestelen. Opnieuw het rauwe verdriet. Opnieuw de rauwe pijn van een zoveelste verlies. Opnieuw meer angsten voor als het ooit opnieuw lukt. Opnieuw helemaal vanaf nul beginnen. Opnieuw alle moed samen moeten rapen. Opnieuw verwerken. Alles allemaal opnieuw, voor de derde keer nu al.

Deze keer is het weer wat anders. Deze keer groeide onze lieve, kleine eskimo zo goed als zeker op de verkeerde plaats. Vermoedelijk in mijn eileider. Ze weten het allemaal nog niet zo goed en niet zo zeker. Op de echo was het gisteren snel duidelijk. Geen vruchtzakje te zien in de baarmoeder. De waarden die niet verdubbelden zoals het hoorde. De HCG waarde die sowieso al niet aan de meest hoge kant had gestaan. Allemaal signalen van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

En dus is het alle hens aan dek. Frequente bloedafnames om het HCG op te volgen. Echo’s die kort op elkaar volgen in de hoop dat ze zullen kunnen zien in welke eileider onze lieve eskimo groeit. De opdracht direct naar spoed te rijden in geval ik plots pijn begin te krijgen, dat ik niet mag treuzelen. Dat dit gevaarlijk kan zijn. Alle scenario’s op tafel voor je gespreid. Je krijgt de slecht nieuws gesprekken op je afgevuurd. Gesprekken over hoe je eileider kan barsten als het vruchtje te groot zou worden. Gesprekken over spoedoperaties en verwijdering van je eileider als ze de juiste locatie van het vruchtje kunnen vinden. Gesprekken over hoe ze mij een spuit vol chemo zullen geven als ze de juiste locatie niet vinden dat het vruchtje zal doen afbrokkelen. Hoe ik dan weer maandenlang niet verder zal mogen doen, want dan moet die vuile chemo eerst uit mijn lijf zijn.

Je gaat bang terug naar huis. Je krijgt stress als je een klein steekje voelt, want is dit dan de pijn waarover ze spreken? Je weet niets. Je weet niet of je kleine wonder effectief in je eileider groeit of als je toch enkel maar een “gewoon” miskraam hebt. Je bent in de fase dat je hoopt dat het HCG vanaf nu gewoon zakt, ook al is die optie even erg. Het is kiezen tussen de pest en de cholera. Er zijn geen goede opties in dit verhaal. Enkel de erge en de minder erge.

Het enige wat je nog voelt is verslagenheid. Verdriet dat niet meer naar buiten kan komen na de zoveelste tegenslag, het zoveelste hoopje ellende op je pad. Je sluit je geest af, je beschermt jezelf. Je laat het verdriet niet zomaar meer toe, want verdriet doet pijn. En dat wil je niet. Niet opnieuw. Tot ik zal beginnen bloeden of onder het mes zal moeten gaan of die spuit chemo in mijn bil gespoten krijg. Tot je zeker weet dat het voorbij is. Dat je afscheid moet nemen van je kleintje. Dan zal al het verdriet naar boven komen en zijn weg naar buiten zoeken.

Het is overleven in de zuiverste zin van het woord.

Onze eskimo heeft zo hard gevochten om bij ons te blijven, maar verloor op zo’n oneerlijke manier de strijd. Het idee dat het nu misschien nog ergens in die eileider aan het groeien is, is ronduit verschrikkelijk. Weten dat je niks kan doen om je kindje te redden, terwijl het misschien kerngezond en sterk was. Maar simpelweg niet kan groeien op die plek.

Ze zeggen me dat het de natuur is. Dat er niks aan te doen is. Dat het pech is.

Maar dan is de natuur nu wel heel erg gruwelijk voor ons geweest.

Ik kan het allemaal niet meer horen. Ik vraag me alleen nog maar af hoeveel hoopjes van deze ellende ik dan eerst nog door ga moeten maken, voor de natuur ons eindelijk eens goedgezind zal zijn.

Ik wou alleen een kind, niet al deze ellende opnieuw en opnieuw en opnieuw.

 

 

 

 

 

Over hoe iets dat zo ontzettend klein is, zo’n golf van liefde met zich mee kan brengen.

De telefoon ging over. Een anoniem nummer. De GSM viel bijna uit mijn handen, omdat ik zo bibberde. Ik wist waarvoor er gebeld werd. Ik ademde diep in en uit en nam op.

“Mevrouw, we hebben heel goed nieuws voor u.”

Ik hield even mijn adem in en slaakte vervolgens een enorme zucht.

“Is het goed? Is het echt goed?”

De vrouw aan de telefoon lachte. Ze verzekerde me dat het echt waar was. Onze lieve, kleine eskimo was goed ontdooid en had al zijn sterke willetje getoond. De terugplaatsing kon met zekerheid ingepland worden later die dag.

Ik legde de telefoon toe en begon te huilen. Deze keer niet van verdriet of boosheid of stress. Deze keer was het een ontlading van puur geluk. Blijdschap omdat ook deze mogelijke hindernis zonder problemen was genomen. Eindelijk weer een echte kans, eindelijk één van onze mini’s dicht bij me in de buik. Waar het thuis hoorde. Ik kon net als hij niet gelukkiger zijn.

Gezonde spanning nam het van ons over. Vol goede moed stapten we de auto in en reden we naar het UZ. Het was overweldigend. Dat grote ziekenhuis dat wemelde van het volk. Ik voelde me wat onwennig, alsof ik in één of ander wild mierennest was beland. Maar we vonden al snel waar we moesten zijn en ook de wachtzaal werd snel gevonden.

We zaten er niet alleen. Naast ons andere, nerveuze koppeltjes. Blijdschap spatte van hun gezicht. Allemaal koppels die voor een terugplaatsing kwamen. Sommige net als wij voor de allereerste keer. Andere waren al meerdere keren moeten terug keren en waren de gang van zaken al gewoon. Eindelijk eens een wachtzaal met alleen maar een goede sfeer. Geen treurnis of verdriet, maar blijdschap om de nieuwe kansen op blijvend geluk.

Ze riepen me binnen. Eindelijk was het aan ons. Eindelijk zou onze lieve mini in mijn buikje geplaatst worden. Ik was wat nerveus en stapte onwennig het kamertje binnen. Een lieve dokter ontfermde zich over mij.

Hij sprak zacht, maar met een brede glimlach.

“Het is een embryo van topkwaliteit dat al uit zijn schilletje aan het kruipen is. Je hebt 50 procent kans op slagen. Dat is zeer goed. We gaan het snel in je buikje plaatsen he!”

Ik voelde de tranen weer in mijn ooghoeken prikken, maar besloot om op mijn tanden te bijten. Voor de eerste keer in dit traject was ik echt gelukkig. Eindelijk eens een normaal, goed resultaat zonder de nodige hindernissen onderweg.

De procedure zelf hield weinig in. Een eendenbek en een ietwat pijnlijke tang op de baarmoedermond. Maar mijn aandacht was weg van wat er daar beneden allemaal gebeurde aan voorbereiding. Ik kon alleen maar vol liefde staren naar het kleine scherm voor me. Daarop kon ik volgen hoe onze kleine eskimo in de pipet werd gezogen. Het is heel moeilijk te omschrijven wat het met je doet. Zo’n eerste terugplaatsing. Even later kon ik op nog een ander scherm volgen hoe onze kleine eskimo losgelaten werd in mijn baarmoeder. Je zag heel even een kleine, witte vlek en dat was onze mini. De arts wees er naar. Ik glimlachte liefdevol.

En toen mocht ik al terug rechtstaan en me aankleden. Ik voelde me wat verdwaasd, wist niet goed wat er allemaal was gebeurd. De arts gaf me een blad met een foto van onze mini. Ik staarde er naar. Ik lachte, ik voelde de tranen langs alle kanten prikken. En ik werd op slag een beetje meer verliefd.

Onze eskimo had bewezen dat het een sterke wil had, dat het wilde vechten, dat het bij mama in de buik wou komen door al wat uit zijn schilletje te komen. Het was liefde op het eerste gezicht. Want ook al zijn het nog maar een groepje cellen, het is al van ons. Helemaal van ons en van ons alleen.

En nu hield ik mogelijk zijn of haar allereerste foto vast mocht het 9 maanden lang blijven zitten. Een heel onwerkelijk, moeilijk te omschrijven gevoel. Wonderbaarlijk en niet te geloven dat het mogelijk is. Dat je een foto kan zien van je mogelijk latere kind terwijl het nog zo ontzettend klein is. Maar het kan. En het is een fantastisch gevoel.

Voor nu dus enkel puur geluk in ons leven. En liefde, heel veel liefde.

Binnen enkele weken weten we of dit kleintje ook in mijn warme buikje is blijven vechten. We kunnen het alleen maar hopen. En als het onderweg toch de strijd opgeeft, dan zal ik dat ook moeten aanvaarden. Maar voor nu proberen we van het beste uit te gaan en te hopen dat het gewoon heel graag bij ons wil blijven nu. Ik hoop het zo. Want het is zo ontzettend welkom in ons leven.